W. A. (Willy) Naessens, kinderarts


Met voormalig kinderarts Willy Naessens zijn twee interwiews gehouden.

 

Het eerste interview is gehouden door Piet van Velthoven en Rien van Zuijlen op 19 mei 2003. Hiervan is een bandopname bewaard gebleven. een beknopte samenvatting is hieronderder te lezen onder het kopje "Interview 1"

 

Het tweede interview is gehouden door Piet van Velthoven en Piet Schilte in februari 2007. Deze tekst is te lezen onder het kopje " Interview 2" 

Interview 1

MCA, 19 mei 2003 door Rien van Zuijien en Piet van Velthoven

Enkele gegevens; het interview is grotendeels op de bandopgenomen.

 

Naessens zocht opgeleid in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam een plaats in een katholiek ziekenhuis. Daarnaast wilde hij werken in een stafziekenhuis.

In Alkmaar waren in 1953 twee open ziekenhuizen. De specialisten waren in de stad gevestigd en maakten gebruik van de diensten van beide ziekenhuizen. In verband met verlies van vrijheid wilden zij geen formele relatie. (in 1954 kozen wel de specialisten voor een gewoon staflidmaatschap in het ene en een buitengewoon in het ander)

Hij sprak met G.J. Sluijmer, geneesheer-directeur EZ en vervolgens met Dr. W.J. Lojenga, medisch-directeur CZ.

In de stad was gevestigd als kinderarts Dr. Anna G. Schoo. Zij had als assistent Else Meerman-Schroder. Naessens sprak met Anna Schoo over zijn plan tot vestiging. Zij zei, dat er geen plaats was voor twee kinderartspraktijken. Zij zou ook niet voor hem waarnemen.

Het plaatselijke ziekenfonds zag wel de mogelijkheid van twee praktijken. Er vonden verdere onderhandelingen plaats met het bestuur van de congregatie rector Stolwijk.

Naessens maakte nu pas openbaar, dat het ziekenhuis hem 3 jaar een inkomen garandeerde. Dit was een zeer geheime overeenkomst. Hij heeft hier geen gebruik van hoeven te maken.

Na een jaar deelde Anna Schoo hem mede, dat zij beiden de praktijk neerlegden en een andere functie aanvaardden als schoolarts en districtsarts zonder ook maar ooit te hebben waargenomen. Zij zei:"je zult wel blij zijn het van mij te horen". Han Hofstra werd de opvolger. Naessens kon goed met hem opschieten en werken.

Hun regeling werd waarneming voor de weekends en een vakantie van zes weken.

In het EZ waren de onderlinge verhoudingen goed en Bourgondisch van karakter; men kwam op elkaars verjaardag; men was extrovert. Het CZ: de sfeerwas gesloten en benepen; er waren minder onderlinge contacten.

In het CZ was jaren zuster Anepohl hoofdzuster van de kinderafdeling.

In het EZ was dat Zuster Miriam. Zij was ongeschikt hoofd te zijn. Al snel werd zij overgeplaatst naar het moederhuis. Er werd geen nieuw hoofd benoemd. Naessens heeft toen met de 12 aanwezige verpleegkundigen rond de tafel gezeten en gesproken. De taken werden onderling verdeeld. Waarschijnlijk het eerste teamwork!

Hans de Jong, chirurg voornamelijk in het EZ, kwam niettegenstaande zijn deskundigheid in 1963 in ernstige problemen, zodat zijn toelating werd ontnomen.

(van Velthoven: in de loop van 1963 had het ziekenhuis middels een advertentie nog een vacature voor tweede chirurg gesteld. De Jong was het daar niet mee eens. In het najaar vroeg het EZ twee RK chirurgen om de praktijk over te nemen.) Naessens: "je kon op hem rekenen"

De problemen waren tweeërlei:

Hij was polygaam en had weer een relatie met een secretaresse. Hij had twee aangenomen kinderen. Hij accepteerde er maar een. Daarnaast was hij vaak onbereikbaar, zodat men in de problemen kwam met de acute operaties.

(bron: PvV/270503/mca/naessens)

 

Interview 2

Voorgeschiedenis

 

Op 28-01-1919 werd Willy geboren te Haarlem in een vrijzinnig katholiek gezin. Zijn vader was op dat moment nog in opleiding tot kinderarts in de Mariastichting. Na afronding van zijn opleiding vertrok vader Naessens met zijn gezin naar Soerabaja waar ze van 1923 tot 1929 verbleven. Willy heeft de periode in Indië zeer bewust meegemaakt en ervoer dat als een prettige tijd. Zijn vader bestudeerde aldaar het ziektebeeld Beriberi en schreef hier met Wenkenbach een artikel over. Terug in Nederland vestigde hij zich na eerst een [periode in Velzen te hebben gewerkt in Haarlem. Zijn moeder was een Brusselse en Willy had nog een jonger zusje.

 

Willy bezocht de HBS te Velzen en studeerde geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam van 1936 tot 1947. Zijn studie werd onderbroken door de tweede wereldoorlog. In 1939 werd hij bij de algemene mobilisatie in dienst geroepen en verbleef dar tot twee weken na de capitulatie. Gedurende twee jaar stopte de opleiding en dook hij onder. Hij was van maart tot november 1948 als militair arts werkzaam in het sanatorium Oranje Nassau’s Oord in Renkum. Zijn eerste interesse ging uit naar een internisten opleiding. Als arts-assistent ging hij aan het werk in het OLVG, doch je zag je opleider van der Spek slechts 30 minuten in de week. De arts-assistenten leiden elkaar op. Hier deed hij ervaring op de EHBO, bloedtransfusie en laboratorium. Toen de kinderarts Fehmers in hetzelfde ziekenhuis een arts-assistent zocht besloot Willy daar aan het werk te gaan, maar stelde vooraf dat hij geen kinderarts wilde worden. Dat vond Fehmers geen probleem. Uiteindelijk is het anders gelopen en was Willy in 1953 kinderarts geworden.

 

Thuis was er een bloeiend cultureel leven (vader muziek, moeder beeldende kunst) en daarnaast veel aandacht voor litteratuur. Hijzelf heeft een aantal instrumenten bespeelt; aanvankelijk klassiek gitaar, later cello en vervolgens altblokfluit. Hij is goed bij stem en zingt in een koor en solo. Tijdens het interview ontkom je er niet aan om zijn vele tekeningen (met name portretten) en schilderwerken in ogenschouw te nemen. Willy is nog steeds actief lid van Pincet en Penseel, een genootschap van de KNMG.

 

 

 

Periode werkzaam in het Elisabethziekenhuis

 

Op het moment van het interview is Naessens 88 jaar oud. Hij legde zijn praktijk neer eind 1974 (nu 33 jaar geleden), maar de periode, dat hij werkzaam was als kinderarts in het Elisabethziekenhuis, staat hen nog helder voor de geest. Met zo veel enthousiasme weet hij over gebeurtenissen van toen te vertellen, dat het lijkt alsof hij nog steeds niet weg is.

 

Direct na het beëindigen van zijn opleiding tot kinderarts in Amsterdam vertrekt Naessens in 1954 naar Alkmaar. Op dat moment waren daar als kinderartsen werkzaam Annie Schoo en Else Meerman. Op dat moment zijn er in Alkmaar twee open ziekenhuizen, het Centraal ziekenhuis (CZ) en het Elisabethziekenhuis (EZ). Het was een wilde vestiging en Willy Na een solliciteerde bij het EZ. Dit hield bij een positieve beoordeling in, dat je werd toegelaten tot het ziekenhuis – in geval van het EZ door de congregatie – en daarmede toestemming had gekregen om je patiënten in het ziekenhuis te behandelen. Specialisten, werkzaam in open ziekenhuizen, voelden zich niet (en wilden dat ook niet) verantwoordelijk voor het wel en wee van het ziekenhuis en bemoeiden zich al helemaal niet met het beleid. Er functioneerde geen medische staf. In Alkmaar verdeelden de specialisten op dat moment hun patiënten over beide ziekenhuizen CZ en EZ. Geen van de specialisten had een praktijk in het ziekenhuis of hield daar polikliniek.

 

(In 1954 hadden de in Alkmaar gevestigde specialisten, die ook in de ziekenhuizen wilden werken, schriftelijk moeten aangeven of zij zich als gewoon staflid van het één en daarmee als buitengewoon staflid van het ander beschouwden)

 

Naessens – opgeleid in een stafziekenhuis – had gehoord dat het EZ de richting op wilde van een gesloten ziekenhuis met een medisch staf, die zich mede verantwoordelijk voelde voor het beleid van het ziekenhuis. Dit was precies de reden voor hem om bij het EZ te solliciteren. Naessens koos nadrukkelijk voor één ziekenhuis en begon met een keer in de week spreekuur in het ziekenhuis te houden. In deze was hij de tweede specialist, de eerste die spreekuur hield in het EZ was orthopedisch chirurg Max van Zijll. Hij wilde – zoals hij zei – geen twee heren dienen. Naessens wijst er in het gesprek op dat de verhouding tussen specialist en ziekenhuis toen en nu fundamenteel verschillend was. Toen legde het bestuur prioriteit tijdens een sollicitatie bij goed vakmanschap nu is dat naar zijn indruk naast vakmanschap verschoven naar sociale vaardigheden en bereidheid tot het op zich nemen van bestuurlijke taken.

 

 

Bij de specialisten in Alkmaar overheerste de angst, dat ze hun vrijheid (professionele autonomie) zouden verliezen, wat misschien vooral hun financiële vrijheid gold. Alle specialisten waren opgeleid in academische centra door hoogleraren, die in dienst van de academie mede verantwoordelijk waren voor het beleid (klopt dit?). Naessens was opgeleid in een niet academische setting, maar het was wel een stafziekenhuis en hij had daar de voordelen van ondervonden. Hij vond het een van zelfsprekende zaak dat specialisten in stafverband mede verantwoordelijkheid namen voor het beleid.

 

Dit was precies wat G.J. Sluijmer – in 1950 als geneesheer-directeur van het EZ door de congregatie aangesteld – in Alkmaar, waar hij voordien huisarts was geweest, nastreefde. Sluijmer vond in Naessens een partner voor zijn ideeën en daarmee was het belangrijkste verschil geboren tussen het CZ en EZ.

 

Sluijmer schreef aan de specialisten, dat men of gewoon of buitengewoon staflid kon worden. Er moest gekozen worden. Gewoon staflid betekende enerzijds meepraten anderzijds rechten en plichten. Als buitengewoon staflid behield men wel toegang tot het ziekenhuis. Vanaf dat moment is in het EZ formeel de staf ontstaan en kwam er een stafreglement.

 

(De keuze van gewoon en buitengewoon staflidmaatschap stond op zich los van de vorming van het stafziekenhuis met als uiterste consequentie de sluiting van het ziekenhuis. Voor en tegenstanders waren binnen beide ziekenhuizen. Het heeft nog tot december 1965 geduurd, voordat het in juni 1964 ontstane lekenbestuur dit definitieve besluit nam. De twaalf specialisten die geen toegang meer hadden legden de kwestie voor aan het Scheidsgerecht voor het Ziekenhuiswezen. Zij verloren. Het St. Elisabeth werd wel verplicht tot een schadevergoeding, maar alleen als na een periode van zes jaar kon worden vastgesteld dat er schade was. Dit bleek niet het geval.)

 

De specialisten die niet voor het gewoon staflid maatschap kozen in het EZ en domicilie kozen in het CZ waren boos en spanden een proces aan ten einde een financiële vergoeding (kapitalisatie van het verlorene) te verkrijgen. Dit hebben ze (CZ) verloren. In die tijd werd de zaak onnodig op de spits gedreven. Duidelijk was toen dat succesvolle fusie besprekingen heel moeilijk en onwaarschijnlijk zouden worden.

 

Sluijmer zag al vroeg dat het in Alkmaar uit zou draaien op een fusie van CZ en EZ tot een groot regionaal ziekenhuis met meer mogelijkheden dan de twee afzonderlijk zouden hebben. De congregatie vond deze gedachte niet zo leuk. Beide ziekenhuizen waren bevreesd voor opslurping van de een door de ander. Voor een fusie waren twee gelijkwaardige partners nodig, want dan kan je uitruilen. Echter de rechtspersoonlijkheid van beide instellingen was verschillend en daarmee had het personeel in beide ziekenhuizen verschillende rechtsgronden.

 

Het CZ stond er toen politiek gezien sterker voor. Het was immers een overheidsziekenhuis met in het bestuur vertegenwoordigers van de omliggende gemeenten. Verpleegkundigen in het CZ hadden een overeenkomst met het ziekenhuis m.a.w. de gemeente en vielen onder de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. Het EZ moest daar iets meetbaars tegenover stellen, meer dan alleen goede onderlinge verhoudingen. Dat werden stafvorming en een beter medisch beleid.

 

Hoe is de fusie toch op gang gekomen. Om aan de normen van de tijd te blijven voldoen moesten beide ziekenhuizen investeren. Het ministerie stelde als voorwaarde dat ze samen twee plannen indienden, wat door beide ziekenhuizen wederzijds werd ondertekend. Men mocht dan voortbestaan als gescheiden ziekenhuizen. De overheid kan niet dwingen tot een fusie, maar er diende afstemming te geschieden tussen twee besturen die niet on speaking terms waren. Eind ’60 kwam het tot een gemeenschappelijke intentieverklaring opgesteld door de voorzitters, die in de vakantie een informele bijeenkomst – zonder mandaat – hadden belegd welke zij met succes aan hun besturen voorlegden.