De Geschiedenis van het EZ deel 2

Van Stichting Samenwerkende ziekenhuizen tot MCA

Na de nieuwbouw van de beide ziekenhuizen was er voorlopig voldoende capaciteit. De opnametijd was lang. Huisartsen lieten hun patiënten voor langere tijd opnemen, als in een verpleeghuis. In de jaren dertig kwamen meer specialisten. Vanaf 1932 werden zij officieel geregistreerd en opgenomen in het specialistenregister. Mede door de verzuilde maatschappij functioneerden de instituten als op zich zelfstaande organisaties. De medische specialisten vormden de verbindende factor tussen de ziekenhuizen. Zij werkten vanuit hun eigen (praktijk)huis. Zij hielden daar spreekuur en namen hun patiënten op in een van de twee ziekenhuizen. Zij opereerden daar ook. Zij namen in de regel geen deel aan de organisatie van het ziekenhuis; lessen voor verpleegsters uitgezonderd.
De tweede wereldoorlog bracht ook voor de ziekenhuizen een moeilijke periode. Enkele facetten zal ik noemen: de onvrijheid, de schaarste, de deportaties, de executies van o.a. op 6 april 1945 de jonge chirurg F.J. Haverkamp, de onderduikers, de clandestiene radioverbinding enz.

Niet gerealiseerde nieuwbouwplannen van het St. Elisabethziekenhuis
Niet gerealiseerde nieuwbouwplannen van het St. Elisabethziekenhuis

In 1941 voerde de bezetter het verplichte ziekenfonds in. De werknemers in dienstverband tot een bepaald plafond vielen hier onder. Anderen konden zich op vrijwillige basis aansluiten. Alkmaar had al haar ziekenfonds; tot stand gekomen op initiatief van de artsen van de afdeling van de NMG in 1914, een van de eerste artsenziekenfondsen in Nederland. Meer mensen gingen vooral na afloop van de oorlog gebruik maken van de gezondheidszorg. In de herstelfase na de oorlog bleek dat de ziekenhuizen klem kwamen te zitten. Plannen voor uitbreiding bij het CZ en nieuwbouw van het EZ ontstonden.

De organisatie van de specialistische geneeskunde veranderde in 1954. In samenspraak met de afdeling Alkmaar van de inmiddels Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst, als vertegenwoordiger van de specialisten, richtten de ziekenhuizen een medische staf op. De reeds gevestigde specialisten konden toetreden. Meestal werd men gewoon lid van het ene en buitengewoon van het andere ziekenhuis. Iedereen reageerde, vond ik bij mijn archiefonderzoek. Er kwam al meer structuur in. 

 

De zgn "Bébé-kamer" van het EZ
De zgn "Bébé-kamer" van het EZ

In de loop van de jaren zestig werd nagedacht over een bundeling van de ziekenhuisvoorzieningen in Alkmaar. Gesprekken tussen het College van Regenten CZ, het bestuur EZ, de directies en de besturen van de twee medische staven kwamen tot stand. In ieder geval leidde dit in december 1969 tot de stichting Samenwerkende Alkmaarse Ziekenhuizen. Zij stelt zich tot doel het behartigen van de voor beide ziekenhuizen gemeenschappelijke belangen en activiteiten in de ruimste zin van het woord. De ziekenhuizen hadden al samenwerking bij het aantrekken van een revalidatiearts. De directe aanleiding tot de oprichting van de stichting was het initiatief van Dr. J.H. Baaij, geneesheer-directeur CZ 1964-1971 om Dr. Jurrit Bergsma als tweede ziekenhuispsycholoog in Nederland te kunnen aantrekken. 

Prof. Wiebenga moet Alkmaar helpen
Prof. Wiebenga moet Alkmaar helpen

Het proces naar de fusie in 1974 tot Medisch Centrum Alkmaar was niet te stuiten. Een van de conclusies van het gesprek van de beide geneesheer-directeuren op 6 mei 1972 was, dat op financieel-economische gronden de bouw van een geheel nieuw geïntegreerd ziekenhuis op maagdelijke grond niet mogelijk was.

Het argument was de kapitaalsvernietiging in verband met de in 1965 tot stand gekomen gedeeltelijke nieuwbouw van het CZ.

Werd toen definitief de toekomst bepaald? Het was een turbulente tijd. Voor- en tegenstanders van de dreigende fusie roerden zich. Wethouder Jo de Lange van de gemeente Alkmaar organiseerde een handtekeningactie voor het behoud van de identiteit van het EZ. Arend Lind brak een lans, mede op grond van het voorkomen van dure dubbele investeringen voor de fusie. Het EZ zag als beste oplossing een gezamenlijke nieuwbouw op maagdelijke grond. Een patstelling dreigde.
Drs. M. Bustraan, raadslid van de gemeente Bergen, stelde in de gemeenteraadsvergadering van februari 1972 voor om “iemand met gezag uit de ziekenhuiswereld” te bewegen zich in de Alkmaarse ziekenhuiskwestie te mengen. De Raad vond de meest geschikte man hiervoor: Prof. Dr. A.H. Wiebenga, voorheen internist/gastro-enteroloog en nu directeur van het instituut voor de nieuwbouw van academische ziekenhuizen.

 

Dit voorstel werd door een aantal gemeenten en andere belanghebbende overgenomen. De ziekenhuizen schakelden hem in. Ik kom hier op terug.

De impasse werd door de persoonlijke inzet van mevrouw J.M. Corver- van Haaften, voorzitter van het College van Regenten CZ en Mr. G.A. Jansen op de Haar, voorzitter van het bestuur EZ doorbroken. Zij bepaalden een volledige fusie van de beide instituten per 1 juli 1974 tot Medisch Centrum Alkmaar met vestiging op in de Hout.

Vis constateert in zijn boek: “Over fusies geen illusies”. Het werd een heftige en moeilijk proces. Ik ga hier niet verder op in. Aan de hand van de adviezen van Prof. Dr. A.H. Wiebenga duid ik de ontwikkeling tot het huidige topklinische ziekenhuis aan.

Waarschuwing voor een uitbouw op het terrein van het CZ tot volledig MCA. De benodigde grond is te schaars en voor een deel niet in eigen beheer.

 

Dit heeft er mede toe geleid dat in fasen diende gebouwd te worden.

Het eerste gedeelte; in de wandeling genaamd DBI Diagnose Behandelblok, kwam in 1983 klaar;

DBII in 1988

en ten slotte het derde deel, DBIII in 1995;
ruim twintig jaar na de fusie.

bron:  Piet van Velthoven,  oktober 2012