De Geschiedenis van het EZ deel 1 (1853 - 1927)

Ontstaansgeschiedenis St. Elisabeth Ziekenhuis 1927 

De emancipatie van de katholieken bereikte met het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 een voorlopig hoogtepunt. Zij traden na een lange periode van de “schuilkerk” weer in het openbaar. Overal verrezen kerken o.a. de Domincuskerk op de Laat en werden eigen katholieke organisaties in het leven geroepen. In de gezondheidszorg ontstond naast de protestante en neutrale zuil een katholieke met eigen kruisverenigingen, eigen verzekeringen en vooral … eigen ziekenhuizen met religieuzen als verpleegsters.

De in Alkmaar geboren bisschop Caspar Bottemanne (1823-1903) had de Augustinessen van de St. Hippolytusstichting in Delft overgehaald voor een vestiging in Alkmaar. Het was 1896. Hij kreeg enthousiaste medewerking van deken Russcheblat en de chirurg Dr. J. Dirken (1865-1924). Even buiten Alkmaar, aan de Emmastraat, was een geschikte plaats. Op 27 december 1897 opende het nieuwe ziekenhuis, onder de naam St. Elisabethgesticht. De capaciteit was 24 bedden.
Een andere ontwikkeling was toen en later de verschuiving van care naar cure. Binnen de ziekenhuismuren kwam de specialistische geneeskunde tot ontplooiing. In het eerste jaar werden 98 operaties verricht.

 

Elisabeth Gesticht (voorgrond) en St. Elisabeth Ziekenhuis (achtergrond)
Elisabeth Gesticht (voorgrond) en St. Elisabeth Ziekenhuis (achtergrond)

Het ziekenhuis kreeg, mede door de volledige inzet van de zusters een goede naam. In 1906 werd naast het gesticht een nieuw zenuwpaviljoen gebouwd. Het aantal religieuzen vanuit de kop van Noord-Holland nam toe. Dit leidde tot de bouw van een grotere kapel en refter. Het bestuur maakte in 1913 plannen bekend voor een nieuw ziekenhuis van minstens 200 bedden. Dit leidde tot heftige reacties uit het protestante kamp. In “De Protestant” verscheen een tendentieuze oproep: “Burgers van Alkmaar, gij kunt niet werkeloos toezien, dat Noord-Holland, voorheen bolwerk van protestantisme, geleidelijk aan door dit ziekenhuis verroomst”.
Wegens de eerste wereldoorlog en mogelijk ook door de negatieve reacties werd er niet verder over nieuwbouw gesproken.
Een bouwcommissie bleef actief. Tegen billijke prijs kocht het bestuur een terrein van drie hectare aan de Van Everdingenstraat op de rand van de stad met vrij uitzicht over de polders naar het Heilooër bos. De nieuwe bouwcommissie nam contact op met de architect Jan Stuyt (1868-1934). Wederom laaiden de reacties hoog op en verdacht men de katholieken ervan de plannen voor het nieuwe Stadsziekenhuis in de Cadettenschool te willen dwarsbomen. Rome had het gedaan! De Alkmaarse dominee J.D.M. Baar wilde dat de Raad van Alkmaar geen enkele steun zou geven. Een kreet was: De R.K. ziekenverpleging zoekt, evenals de zending bij de inboorlingen, eerst contact door geneesmiddelen. Zij is dus vóór alles geloofspropaganda. De boodschap was duidelijk: het ligt niet op de weg van de overheid om particuliere propaganda te ondersteunen. 

Uiteindelijk steunde de Raad de bouw van het St. Elisabeth Ziekenhuis en de verbouwing van de Cadettenschool.

De Alkmaarse medische wereld distantieerde zich openlijk van het niveau van de discussie. De vele huisartsen en in minder in getal zijnde specialisten waren verenigd in de afdeling van de Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunst. Zij verwezen de patiënten naar beide huizen en werkten daar ook. Uiteraard waren er wel voorkeuren op basis van onderlinge contacten en de geloofsovertuiging van de patiënten. Op 11 juli 1925 werd de eerste steen gelegd en twee jaar later op 18 juli 1927 werd het nieuwe ziekenhuis ingewijd door de bisschop van Haarlem monseigneur A.J. Carlier. Het was een pronkstuk!

 


bron: Piet van Velthoven,  oktober 2012